Babbage Difference Engine

(Whipple Museum of the History of Science, University of Cambridge)

Charles Babbage (26 december 1791 – 18 oktober 1871)

Was een Brits wiskundige,filosoof, uitvinder en werktuigbouwkundige die bekend werd als de ontwerper van de eerste geautomatiseerde, programmeerbare, mechanische rekenmachine, de voorloper van de elektronische computer.
Babbage ontwierp in 1821 een mechanische, automatische rekenmachine, de Difference Engine, om wiskundige tabellen te genereren. In die tijd werden deze tabellen door mensen gegenereerd, wat fouten in de hand werkte. De machine werd echter maar voor een deel gebouwd en heeft daardoor nooit volledig gewerkt. Afgebouwd zou hij uit 25.000 delen hebben bestaan en 15 ton hebben gewogen.
Van 1834 tot aan zijn dood in 1871 was Babbage bezig met het concept van de eerste programmeerbare (mechanische) rekenmachine, die hij de analytische machinenoemde (Analytical Engine). Dit was een waardige voorloper van de elektronische computer zoals wij die nu kennen, omdat hij in principe de basisfuncties van een eenvoudige computer zou hebben. Hij zou met ponskaarten werken, beslissingen nemen, berekeningen maken en uitkomsten onthouden. Als hij zou zijn gebouwd zou het een gigantisch apparaat geweest zijn, opgebouwd uit mechanische onderdelen als tandwielen en assen, dat zou moeten worden aangedreven door een stoommachine.

Alan Mathison Turing
(Londen, 23 juni 1912 – Wilmslow, 7 juni 1954) was een Britse wiskundige en informaticus avant la lettre.
Alan Turing heeft tijdens zijn leven veel belangrijk werk verricht. Het belangrijkst zijn zonder twijfel zijn theoretische vorderingen op het gebied van de berekenbaarheid geweest, en de Turingmachine, een mechanisch model van berekening en berekenbaarheid en daarmee een model voor een computer.
Het bekendst bij het grote publiek is de Turing-test, en zijn betrokkenheid bij het kraken van de Enigma-code (waardoor de Britten tijdens de Tweede Wereldoorlog op de hoogte zijn geweest van de locaties van de onderzeeërs van de Duitsers).

Lopende band principe
Met een lopende band wordt doorgaans een systeem in een fabriek bedoeld, waarbij de producten in wording op een band langs de werknemers worden geleid, die er ieder bepaalde, zich steeds herhalende, handelingen aan verrichten.
Hoewel er al eerder ervaring met het idee was opgedaan in de slachthuizen van Chicago, was het Ransom Olds die het lopende band principe als eerste gebruikte bij de productie van auto's. In plaats van de arbeiders in de fabriek naar het werk te laten lopen, werd het werk nu naar hen gebracht.
Door Henry Ford werd dit idee geoptimaliseerd. Terwijl bij de wetenschappelijke bedrijfsvoering van Taylor nog toezichthouders nodig waren, was het nu de lopende band die het tempo en de werkzaamheden dirigeerde. Een verregaande vorm van arbeidsdeling kon hierdoor worden ingevoerd en vakarbeiders konden worden vervangen door 'geoefende' of zelfs ongeschoolde arbeiders. De taakautonomie van de arbeider in dit proces verdween grotendeels.

Ontwikkeling van de stoommachine
De ontwikkeling van de stoommachine was een empirisch proces. De theoretische achtergrond, de thermodynamica, zou later worden geformuleerd. De machine was in 1705 al uitgevonden door Thomas Newcomen en John Cally maar er was pas in 1764 algemene toepassing mogelijk na de innovaties van de Schot James Watt (1736-1819).
In 1543 voer Blasco de Garay door de haven van Barcelona met een schip dat werd voortgestuwd met een door hem ontworpen stoommachine hij hield zijn uitvinding echter geheim.
Een volgende pionier bij de ontwikkeling van de moderne stoommachine was de Fransman Denis Papin (1647-1712). Papin vluchtte na de opheffing van het edict van Nantes in 1685 naar Hessen, waar hij aan de Philipps-Universiteit Marburg probeerde zijn ideeën te verwezenlijken. Als gevolg van onnauwkeurige bewerkingen van het materiaal door onbekwame werklieden mislukte dit faliekant. Hij had zijn plannen intussen medegedeeld aan de Royal Society in Engeland, waar hij Robert Boyle en Robert Hooke eerder had leren kennen. Hooke liet met dit ontwerp een bekwaam constructeur een machine maken. In 1765 werd in Engeland de stoommachine uitgevonden om te gebruiken in fabrieken. In 1804 zette een Engelse uitvinder voor het eerst wielen onder de stoommachine. Dat was eigenlijk de eerste trein. In 1830 werd de eerste spoorlijn van de wereld geopend. Dat was ook in Engeland. Daarover reed de Rocket met een snelheid van 50 km. per uur. Hoe werkt een stoomtrein? In de stoomketel zit water. Met hout, steenkool of stookolie wordt een vuur gestookt. Dat was de taak van de stoker. Dat was zwaar werk, want die moest tijdens de reis steeds het vuur aanhouden. Het vuur brengt het water aan de kook en daardoor ontstaat stoom. Als er steeds meer stoom bijkomt ontstaat er druk. Denk maar eens aan een fluitketel als het water kookt. De stoom van de stoomtrein gaat door pijpen naar een zuiger. Aan die zuiger zit een stang vast en die laat de wielen ronddraaien.

Geschiedenis van elektrische auto's
Waarschijnlijk was de eerste elektrische auto een schaalmodel, gemaakt door de Nederlander Sibrandus Stratingh. Hij baseerde zijn auto op berekeningen van Michael Faraday. Het model bestaat nog steeds. Robert Anderson maakte een vroege koets aangedreven door elektrische energie uit batterijen.
Aan het eind van de 19e eeuw werd de brandstofmotor steeds beter, waardoor de elektromotor het uiteindelijk verloor. Elektrische auto's, in tegenstelling tot auto's met een interne verbrandingsmotor, hadden wel min of meer "tankstations". De elektrische auto werd ook gebruikt voor het vestigen van records, zoals de Belg Camille Jenatzy.
Het fundamentele probleem met elektrische auto's was: de energiedichtheid van oplaadbare batterijen is circa 80 tot 300 keer kleiner dan die van benzine en diesel. Daarom moesten elektrische auto's met zware interne batterijen worden uitgerust, waardoor de snelheid en het bereik ernstig beperkt waren. Er werden auto's op de markt gebracht die dit probleem omzeilden door twee motoren te gebruiken, een benzine- en een elektrische motor. Hoewel ingenieus, waren deze Hybride auto's fragiel en erg duur. Mede hierdoor verloor de elektrisch aangedreven en hybride auto aan belang vlak na de Eerste Wereldoorlog.

De Frisbee
Is bedacht door Walter Frederick Morrison in 1948. Hij kwam op het idee toen hij samen met zijn vriendin een deksel van een blik popcorn overgooiden om de tijd te doden. Hij noemde zijn product de “flying-saucer” en later de “Pluto Platter”. In 1957 werd het idee gekocht door Wham-O die het product in 1958 als de Frisbee op de markt bracht. De naam is een verwijzing naar de bakkerij “Frisbie Pie”. De aluminium taartvormen van deze winkel werden door studenten gebruikt om te frisbeeën. De bedenker van de frisbee had in 1970 al een half miljoen aan royalty’s verdiend. In 2012 waren er wereldwijd meer dan 300 miljoen frisbees verkocht.

De Hoelahoep
Ook de Hoelahoep werd ontwikkeld door “Wham-O”. Iemand had in Australië kinderen zien spelen met hoepels van Bamboe. “Wham-O” maakte ze van PVC en eind jaren ’50 ontstond er een ware rage. In twee jaar tijd werden er meer dan 100 miljoen Hoelahoeps verkocht.

Gele Post-it
De uitvinding van de beroemde gele Post-it was een bijzondere samenloop van omstandigheden. De speciale lijm, die plakt, maar ook gemakkelijk loslaat, was ontwikkeld door onderzoeker Dr. Spence Silver van 3M. Het doel van het onderzoek was echter om een zeer sterke kleefstof te maken, en de vinding werd dan ook niet gebruikt. Totdat Art Fry, ook een werknemer bij 3M, gefrustreerd raakte door de boekenleggers die constant uit zijn koorboek vielen. Hij had een ‘eureka’ moment en kwam op het idee om Silvers lijm te gebruiken om betrouwbare boekenleggers te maken, de Post-it. In het eerste jaar (1974) werd er direct $2 miljoen verdiend, in 2012 was dat meer dan $1 miljard.

De Band-Aid
De Band-Aid, oftewel de pleister, werd in 1920 bedacht door Earle Dickson, onderzoeker van Johnson & Johnson. Zijn vrouw Josephine sneed zichzelf geregeld bij het koken. Hij bedacht een manier waarop ze zonder assistentie de wond kon bedekken. De eerste pleisters waren handgemaakt en niet heel succesvol, pas toen in 1924 machines werden gemaakt om gesteriliseerde Band-aids te produceren begonnen de pleisters te verkopen. Tijdens WOII werden de Band-aids pas echt populair. In 2001 waren er al meer dan 100 miljard Band-Aids wereldwijd verkocht!

Corn flakes
Het bedrijf Kellogg’s is momenteel een multinational. Ze zijn wereldwijd de nummer één producent van cereals, en ze verkopen hun product in meer dan 180 landen. In 1894 was dat wel anders, toen bedachten de broers Dokter John en Will Kellogg per ongeluk corn flakes. Een pot met gekookte tarwe werd vergeten en stond een paar dagen op de stoof. Ondanks dat het goedje was uitgedroogd besloten ze het niet weg te gooien, maar het te verwerken met deegrollers. Tot hun verassing werden het geen lange bladen deeg, maar vlokken. Deze werden getoast en aan de patiënten gevoerd.

Klittenband
Velcro, beter bekend als klittenband, is bedacht door de Zwitser Georges de Mestral. Hij wilde in 1941 weleens weten waarom het zo lasti is om de klitten uit de vacht van zijn hond te krijgen. Onder de microscoop ontdekte hij dat klitten kleine haakjes hebben waarmee ze zich in de vacht vasthaken. Hij ziet direct de mogelijkheden, en ontwikkeld Velcro. In 1998 werd er $93 miljoen verdiend. In 2012 wordt Velcro verkocht in meer dan 40 landen.

De balpen
De uitvinding van de balpen werd gedaan door de Hongaarse journalist László Bíró in 1938. Gefrustreerd door de tijd die hij verspilde met het veelvuldig vullen van zijn vulpen, de vlekken die hij maakte en het krassen van deze pen op het papier, waarbij het papier soms scheurde, besloot hij een pen te ontwikkelen die hieraan een einde maakte. Bij het bezoek aan een drukkerij merkte hij op dat de bij het drukprocedé gebruikte drukinkt zeer snel en zonder uitlopen opdroogde, waardoor het papier vlekkeloos bleef. Deze inkt had echter een zeer hoge stroperigheid en was daardoor onbruikbaar in een gewone vulpen.
Om toch deze inkt te kunnen gebruiken, diende hij een nieuw type pen te ontwikkelen. Hij deed dit door een kogeltje te plaatsen aan het uiteinde van de pen. Dit kogeltje draait tijdens het schrijven en laat daarbij een inktspoor achter op het papier; terzelfder tijd sluit het het inktreservoir af van de buitenlucht, zodat uitdroging en lekkage worden vermeden.
Het principe van de balpen dateert reeds van 1888. De Amerikaan John J. Loud had toen een patent aangevraagd voor een soortgelijk apparaat om leer te merken. Dit patent werd echter nooit commercieel gebruikt omdat een goede inkt hiervoor ontbrak.
In juni 1943 vroeg Laszlo Biro samen met zijn broer Georg een nieuw patent aan en brachten zij de eerste commerciële versies van de balpen, Biro Pens genaamd, op de markt.
Deze pennen waren echter niet erg bruikbaar, ze lekten snel en gaven veel vlekken op het papier.
In 1945 was CROSS de eerste producent die een balpen op de markt gebracht die niet lekte. De techniek van deze pen wordt nog steeds gebruikt voor de hedendaagse balpen.

Philips uitvinding compact disc

Op 8 maart 1979 presenteerde Joop Sinjou de eerste cd. Rechts een grammofoonplaat.

Sony ging met de eer strijken, maar de bakermat van de cd ligt in Eindhoven.
Dertig jaar geleden presenteerde Philips de eerste versie van de compact disc. Inmiddels zijn er wereldwijd 240 miljard cd’s, cd-roms en dvd’s verkocht. Vandaag ontvangt de elektronica-afdeling van Philips een prestigieuze prijs voor haar bijdrage aan de ontwikkeling van de cd. Joop Sinjou (75) stond als hoofd ontwikkeling audioproducten van Philips aan de wieg van de cd. Hij is een van de sprekers bij de prijsuitreiking, die is georganiseerd door de internationale vakvereniging voor de elektronicabranche IEEE. Sinjou: „De snelste beslissing in de ontwikkelingsfase was over de diameter van het gat in de cd. Ik legde een dubbeltje op tafel en dat werd de maat.” (Sinjou werkte van 1952 tot 1989 bij Philips.) Eind jaren zeventig was Philips vastbesloten om van de cd de nieuwe wereldstandaard te maken. Om dat te bereiken moest het bedrijf een gedeelte van de eer aan het Japanse Sony laten. Philips staat niet bekend als de uitvinder van de cd, terwijl het belangrijkste denkwerk wel in Eindhoven is gedaan.
Enkele dagen na de perspresentatie van de compact disc in maart 1979 vloog een delegatie van Philips naar Japan, om de nieuwe techniek aan acht elektronicabedrijven te presenteren. De Japanse bedrijven waren onder de indruk van het kleine demonstratiemodel van de cd-speler, dat Sinjou ’Pinkeltje’ doopte.
In de negen maanden na de Japanse reis namen Philips en Sony samen de laatste technische beslissingen over de cd. Omdat Philips het grootste deel van de ontwikkeling al had gedaan, heeft het de meeste patenten op de cd op zijn naam gekregen. „Philips heeft in het verleden uitspraken gedaan dat het dé uitvinder van de cd zou zijn. Dat vind ik onnodig”, zegt Sinjou. „Philips en Sony werkten samen als een familie. De cd was onze baby.”
Wereldwijd klom de verkoop van cd’s, cd-roms en beschrijfbare cd’tjes van 362 miljoen stuks in 1987 tot ruim 23 miljard in 2005. Sindsdien zakt de verkoop. In 2008 werden er in totaal 17 miljard cd’s verkocht.

Geschiedenis van de televisie
De ontwikkeling van het televisietoestel verliep aanvankelijk langs twee verschillende lijnen: een volgens zowel mechanische als elektronische principes en een tweede die op zuiver elektronische principes berustte. Van de laatstgenoemde lijn zijn alle moderne televisies afgeleid, maar deze waren niet mogelijk geweest zonder ontdekkingen en inzichten van de mechanische systemen en ontstond in Amerika.
Mechanische lijn: de Nipkowschijf
De elektromechanische televisie die Paul Gottlieb Nipkow ontwikkelde en patenteerde in 1884 was de basis hiervan, de Nipkowschijf. In deze snel ronddraaiende platte schijf waren kleine gaatjes in een spiraalvormig patroon aangebracht. De lichte en donkere gebieden werd met behulp van een fotocel (seleen-cellen) omgezet in een elektrisch signaal. Dit activeerde een neonlamp die in dezelfde volgorde van licht en donker het beeld via een tweede gesynchroniseerde ronddraaiende schijf op een scherm projecteerde. Het duurde tot 1907 voordat de ontwikkelingen in de technologie van de versterkingsbuis het ontwerp praktisch maakte.
In de periode 1907-1910, toonden Boris Rosing en zijn student Vladimir Zworykin een televisiesysteem aan de buitenwereld met een mechanische spiegel-trommel scanner en een kathodestraalbuis in de ontvanger. Deze kathodestraalbuis, een uitvinding vanKarl Ferdinand Braun in 1897, is een glazen vacuümbuis waar met behulp van een elektronenbundel op het fluorescerende uiteinde het beeld wordt geprojecteerd. Rosing verdween tijdens de revolutie van 1917, maar Zworykin ging later voor RCA werken om een echte elektronische televisie te bouwen.
Een semimechanisch analoog televisiesysteem werd eerst getoond in Londen in februari 1924 door John Logie Baird met een beeld vanFelix de Kat en een bewegend beeld door Baird op 30 oktober 1925. Het bedrijf (Baird Television Development Company) realiseerde in 1928 het eerste trans-Atlantische signaal van de televisie, tussen Londen en New York.
In 1932 introduceerde Baird de ultrakortegolftelevisie. Het systeem van Baird werd goedgekeurd door de BBC, die dit gebruik in 1937 ten gunste van zuiver elektronische televisie beëindigde.

De elektronische televisie
Hoewel de ontdekkingen van Nipkov, Rosing, Baird en anderen buitengewoon waren wordt weinig van hun technologie gebruikt in de moderne televisie. Tegen 1934, waren alle elektromechanische televisiesystemen verouderd.
Reeds in 1908 had de Brit A. A. Campbell Swinton het concept beschreven van een elektronisch televisiesysteem dat gebruikmaakt van de kathodestraalbuis, uitgevonden door Karl Ferdinand Braun. Hij stelde voor een elektronenstraal in zowel de camera als de ontvanger te gebruiken. Zijn systeem werd nooit opgebouwd.
Een volledig elektronisch systeem werd eerst getoond door Philo Taylor Farnsworth in de herfst van 1927. Farnsworth, een Mormoonselandbouwjongen van Rigby, Idaho, maakte zijn eerste systeem op een leeftijd van 14 jaar. Hij besprak het idee met zijn leraar, die geen redenen kon bedenken waarom het systeem niet zou werken (Farnsworth zou later deze leraar crediteren, Justin Tolman, als het verstrekken van zeer belangrijk inzicht in zijn uitvinding). Hij bleef het idee aan de Brigham Young Academy (nu Brigham Young Universiteit) nastreven. Op de leeftijd van 21 jaar, toonde hij een werkend systeem aan zijn eigen laboratorium in San Francisco. Zijn doorbraak bevrijdde televisie van haar afhankelijkheid van draaiende schijven en andere mechanische delen. Alle moderne televisies van de beeldbuis zijn direct afgeleid van zijn ontwerp. De Rus Vladimir Zworykin wordt soms aangehaald als vader van elektronische televisie wegens zijn uitvinding van de iconoscoop in 1923 en zijn uitvinding van kinescope in 1929; zijn ontwerp was één van de eerste om een televisiesysteem met alle eigenschappen van moderne beeldbuizen.
Over de controverse wie het eerst (Farnsworth of Zworykin) de moderne televisie uitgevonden heeft wordt tot op de dag van vandaag nog gedebatteerd.


Volledige naam: Hedwig Eva Maria Kiesler
Geboren: 9 november 1914
Overleden: 19 januari 2000
Land: Oostenrijk

Hedy Lamarr, geboren als Hedwig Eva Maria Kiesler (Wenen, 9 november 1914 –Altamonte Springs (Florida), 19 januari 2000) was een Oostenrijks-Amerikaans actriceen uitvindster.
Hedy Lamarr was de dochter van Oostenrijkse bankdirecteur Emil Kiesler en de Hongaarse pianiste Gertrud Lichtwitz.
Ze volgde de acteursopleiding van Max Reinhardt in Berlijn, en had op haar zeventiende haar eerste filmrol, in de Duitse film Geld Auf der Straße (1930). In 1933 verscheen ze als eerste vrouw naakt in een speelfilm, in de Tsjechische film 'Extase'. Ze was gedurende tien minuten naakt te zien, eerst badend in een meertje, en daarna door een bos rennend. De film werd in veel landen verboden of op zijn minst zwaar gecensureerd omdat er een seksscène in voorkwam, overigens fake, waarin vrijwel alleen haar in extase verkerende gezicht was te zien. Zelfs paus Pius XI bemoeide zich ermee.
In 1933 trouwde ze met de Weense wapenfabrikant Fritz Mandl die, hoewel hij joods was, nauwe contacten had met Adolf Hitler en Benito Mussolini. Mandl was zeer jaloers, verloor zijn vrouw geen moment uit het oog, en verbood haar filmcarrière. Ze haatte haar man en de nazi-kringen waarin hij verkeerde, en vluchtte in 1937 voor hem naar Londen, waar ze haar artiestennaam Hedy Lamarr aannam. Vervolgens zette ze haar filmcarrière voort in Amerika. Lamarr speelde vaak rollen als elegante en raadselachtige donkere schone, maar was niet erg gelukkig in de keuze van haar films. Zo wees ze een hoofdrol in Casablanca af. Haar grootste commerciële succes was haar rol als Delilah in Samson and Delilah van Cecil B. DeMille (1949). In 1958 speelde ze in haar laatste film (The Female Animal).

Uitvinding
Naast haar filmcarrière stond ze ook aan de wieg van de moderne communicatietechniek. Fritz Mandl, Lamarrs eerste echtgenoot, was niet alleen wapenhandelaar, maar bouwde ook vliegtuigen en deed onderzoek naar besturingssystemen. Lamarr raakte geïnteresseerd en bedacht later het principe van frequency hopping; een methode waarmee radiocommunicatie ongevoelig gemaakt kan worden voor storingen van buitenaf. In samenwerking met componist George Antheil wist ze dit tot een bruikbare methode uit te werken voor het vanuit een op grote hoogte vliegend observatievliegtuig besturen van torpedo's. Ze noemden hun uitvinding het Secret Communications System en vroegen op 10 juni 1941 een patent aan. Op 11 augustus 1942 werd het toegekend (nummer 2292387). Omdat het Amerikaanse leger de uitvinding van een actrice en een componist niet serieus nam en bovendien de elektronica destijds nog niet zo geavanceerd was, duurde het tot 1962 voor hun uitvinding werd toegepast. Die stond ook aan de basis van frequency hopping spread spectrum; een techniek die heden ten dage wordt toegepast in vrijwel alle draadloze digitale communicatietechniek, zoals gps, GSM,Bluetooth en optioneel in wifi.
Lamarr werd in 1953 Amerikaans staatsburger, maar beschouwde de Verenigde Staten als een gevangenis, een onbewoond eiland. Ze trouwde in totaal zes maal en had een zoon en een dochter, en een geadopteerde zoon. Lamarr overleed op 85-jarige leeftijd teAltamonte Springs (bij Orlando, Florida). Ze werd gecremeerd, en ingevolge haar laatste wens werd haar as verstrooid in het Wienerwaldbij Wenen.
De jaarlijkse Dag van de Uitvinders wordt ter ere van Lamarr op haar verjaardag gehouden: 9 november


Martin Cooper
(Chicago, 26 december 1928) is een Amerikaans uitvinder en ondernemer. Begin jaren 1970 leidde hij bij Motorola het onderzoeksteam dat de eerste mobiele telefoonontwikkelde.

Biografie
Cooper groeide op in Chicago tijdens de Grote Depressie. Zijn ouders waren Oekraïense immigranten. In 1950 verkreeg hij een tweede graadsdiploma elektrotechniek aan de Illinois Institute of Technology. Vervolgens trad hij toe tot de Reserve Officiers Training Corps en diende hij op een Amerikaanse torpedobootjager tijdens de Koreaanse Oorlog en op een onderzeeboot gestationeerd op Hawaï.
Na de oorlog verliet hij de marine en trad in dienst van Teletype, een dochteronderneming vanWestern Electric. In 1954 werd door Motorola ingehuurd. Terwijl hij overdag werkte studeerde hij in avonduren. In 1957 behaalde hij een mastergraad in de elektrotechniek aan het Illinois Institute of Technology, waarna hij in de avonduren les gaf aan die universiteit.
In 1960 werd John F. Mitchell benoemd tot hoofdtechnicus van Motorola's mobiele communicatieprojecten en werd Coopers direct leidinggevende. Bij Motorola voerde Cooper diverse verbeteringen door op het gebied van de telecommunicatie. Daarnaast werkte hij aan de ontwikkeling van draadbare producten, waaronder in 1967 een draagbare politieradio voor de Chicago politiedienst.
Begin jaren 1970 werd Cooper door Mitchell aan het hoofd gezet van Motorola's autotelefoondivisie. Dit zou uiteindelijk leiden tot Motorola's onderzoek naar mobiele telefonie. Cooper voorzag een visionaire toekomst waarin mobiele telefoons niet alleen in auto's toepasbaar waren, maar zo klein en licht werden dat ze door iedereen op straat gebruikt konden worden. Na veel onderzoek en ontwikkeling kon Cooper in 1973 de eerste draagbare mobiele telefoon bouwen en testen.
Cooper verliet Motorola voordat de verkoop van mobiele telefoons aan consumenten op gang kwam. Met een aantal partners begon Cooper een bedrijf die factuursystemen aanbied voor mobiele telefonieaanbieders. In 1986 verkochten ze het bedrijf voor 23 miljoen dollar aan Cincinnati Bell. Cooper richtte samen met Richard Roy, onderzoeker bij Stanford-universiteit, en Arnaud Safferi in 1992 het bedrijf ArrayComm op. Het bedrijf specialiseerd in het verbeteren van mobiele telefoonnetwerken, slimme antenna's en draadloze communicatie. Hij en zijn vrouw zijn ook de uitvinders van de Jitterbug, een vereenvoudigde mobiele telefoon voor senioren.

Mobiele telefonie
Op 3 april 1973, staand op Sixth Avenue in New York City nabij het New York Hilton hotel – waar later die dag een persconferentie zou worden gehouden – voerde Cooper het eerste mobiele telefoongesprek. De mobiele telefoon, een DynaTAC, was draadloos verbonden met een basisstation op het dak van het Burlington House aan de overkant van de straat, die aangesloten was op het vaste AT&T-telefoonnetwerk. Het eerste gesprek dat Cooper voerde, was met Joel S. Engel, hoofd onderzoek bij Bell Labs en de grote concurrent op het gebied van mobiele telefonie. Echt handig was de eerste mobiele telefoon nog niet. Zijn prototype was zo groot als een baksteen en woog bijna 1,1 kilogram. Ondanks deze succesvolle demonstratie zou het tot 1983 duren voordat Motorola de DynaTAC-telefoon voor consumentengebruik op de markt bracht, vooral omdat het management meer zag in de potentie van autotelefonie. Pas vanaf de jaren negentig zou de mobiele telefoon alledaags gebruiksgoed worden.

Erkenning
In 1995 werd Cooper onderscheiden met de Wharton Infosys Business Transformation Award voor zijn technologische innovaties op het gebied van communicatie. Cooper is tevens lid van Mensa. In 2009 ontving Cooper, samen met Ray Tomlinson, de Spaanse Prins of Asturias-prijs voor wetenschappelijk en technologisch onderzoek. In februari 2010 werd Cooper gekozen tot lid van de National Academy of Engineering.

Geschiedenis
Enkele van de eerste elektrische gitaren gebruikten pickups van wolfraam en werden in de jaren dertig gemaakt door Rickenbacker, ontworpen door George Beauchamp. De eerste opname met een elektrische gitaar gebeurde door jazzgitarist Eddie Durham in 1937. Durham toonde het instrument aan de jonge Charlie Christian, die het instrument bekend maakte. Hij had een grote invloed op jazzgitaristen gedurende tientallen jaren. Het bedrijf Audiovox bouwde midden jaren dertig een solidbody-gitaar en zou die ook verkocht hebben. In het begin van de jaren veertigbouwde musicus en uitvinder Les Paul, die werkte bij de Gibson Guitar Corporation, in zijn vrije tijd ook een solidbody-gitaar, en hij nam er patent op. In 1950 en 1951 ontwierp Leo Fender, bouwer van elektronische versterkers, de eerste commercieel succesrijke solidbody elektrische gitaar met een enkele magnetische pickup, de "Fender Esquire", voorloper van de Telecaster. In 1954 introduceerde Fender de Fender Stratocaster of de "Strat". De Stratocaster is de meest verkochte gitaar aller tijden. Fender was ook de eerste die met een elektrische basgitaar kwam in 1951, de Precision Bass.

Wat is een elektrische gitaar?
De eerste elektrische gitaren zijn ontstaan in jaren ‘20 en ‘30 van de vorige eeuw. De mensen die een belangrijk aandeel hadden in de ontwikkeling van de elektrische gitaar waren o.a George Beauchamp, Leo Fender, Lloyd Loar, Les Paul en Adolph Rickenbacher. In de beginjaren hebben de firma’s Fender en Gibson veel geëxperimenteerd met modellen, elementen en noem maar op, die veel invloed op de elektrische gitaar hebben gehad.
De elektrische gitaar is ontstaan uit experimenten om een akoestische gitaar te gaan versterken d.m.v. een element. De firma Gibson kwam in 1935 uit de eerste reeks zgn. ES (Electric Spanish) gitaren. Deze hadden een holle klankkast met f-gaten en een element en een gewelfd bovenblad. Dit was feitelijk een archtop gitaar waar een element ingezet was.
De eerste massieve platte elektrische gitaar was een doorontwikkeling van de Hawaiian gitaar.


Frying pan gitaar
Deze had een hals zonder frets, omdat met een metalen “slide”de juiste tonen werden gemaakt, waardoor je een glijdend effect kreeg, net als bij een bottleneck gitaar. Deze elektrische hawaiian gitaar werd ontworpen door George Beauchamp en Adolph Rickenbacher. Het was een uit een stuk aluminium gegoten gitaar met een groot hoefijzer element op het einde gemonteerd. De elektrische hawaiian gitaar had de vorm van een koekenpan en werd daarom ook wel de “Frying Pan” genoemd. Dit instrument werd in 1931 door Rickenbacker op de markt gebracht.


Fender Broadcaster
In 1944 ontmoeten Leo Fender en “Doc” Kauffman (een ex-werknemer van Rickenbacker) elkaar en zij richtten de K&F Company op. In het begin verkochten zij steel gitaren en versterkers. Leo Fender wilde die grote elementen op de steelgitaren zaten, vervangen en ter demonstratie van een nieuw soort element, bracht hij een solid body gitaar uit met dit element erop. Het was een gitaar in de vorm van de Hawaiian gitaar maar met een toets met frets. Dit model gitaar was uitermate populair bij de lokale country muzikanten.
Later in 1948 bracht Leo Fender inmiddels zonder “Doc” Kaufman de legendarische Broadcaster uit met zijn Fender Electric Instrument Company. Een andere legendarische persoon, Les Paul, was destijds ook bezig met het experimenteren met gitaar elementen. Hij liep tegen dezelfde problemen aan als gebruikelijk: resonantie en feedback van de f-gat gitaren.


Les Paul "log"
Dit wilde hij oplossen en toen hij hoorde dat Thomas Edison een massieve viool had uitgevonden, had hij een eureka moment en pastte dit op de gitaar toe. Dit deed hij door een Epiphone f-gat gitaar in tweeën te zagen en er een massief blok hout tussenin gelijmd, waarop hij een Gibson hals monteerde.

1 In 1590 vonden Hans en Zacharias Janssen de microscoop uit

2 In 1608 ontwikkelde Hans Lippershey de allereerste verrekijker

3 In 1673 bedacht Jan van der Heyden de brandweerslang

4 In 1939 lanceerde Philips het automatische scheerapparaat

5 Het cassettebandje werd in 1962 uitgevonden door Philips

6 In 1979 bedacht Philips de compact disc, beter bekend als de cd

7 In 1980 werd de klapschaats uitgevonden door Gerrit Jan van Ingen Schenau

8 In 1994 was het de Nederlander Jaap Haartsen die Bluetooth ontwikkelde

9 In 1998 kwam Theo Tempels op het idee een inkeping in beschuiten te maken

10 In 2001 lanceerden Philips en Douwe Egberts gezamenlijk de Senseo

11 En de stormparaplu is in 2008 uitgevonden door Gerwin Hoogendoorn

1. Donuts
De Amerikaanse politiemannen hebben hun lievelingseten te danken aan Nederlandse immigranten.

2. Wifi
De Nederlandse ingenieur Victor Hayes wordt ook wel “De vader van WiFi” genoemd. Hij is verantwoordelijk voor de technologie achter deze sinds 1997 bestaande standaard (IEE 801.11).

3. Flitspalen
Hoe kan het ook anders: flitspalen! Uitgevonden door de Nederlandse rallyrijder Maus Gatsonides (1911-1998). In 1958 richtte hij het bedrijf Gatsometer op om de apparaten te produceren. De firma exporteert nu naar meer dan 50 landen en is daarmee wereldmarktleider op het gebied van flitspalen.

4. Onderzeeër
Het eerste voertuig dat zich onder water voortbewoog is ontworpen en gebouwd door de Nederlandse uitvinder Cornelis Drebbel. Tussen 1620 en 1624 (!) voerde Drevvel al enkele succesvolle proefritten uit met een onderzeeboot.

5. Brandslang
De moderne oprolbare brandslang werd in 1673 uitgevonden door architectonisch landschapsschilder Jan van der Heyden en zijn broer Nicolaas.

6. Aandelen
De Amsterdamse effectenbeurs wordt over het algemeen gezien als de oudste financiële handelsbeurs ter wereld. Hier werden voor het eerst verhandelbare aandelen uitgegeven; van de Vereenigde Oostindische Compagnie.

7. Oogtest
De Nederlandse oogarts Herman Snellen introduceerde in 1862 de Snellenkaart. Deze wordt nu nog steeds gebruikt!

8. Zinloos geweld
Ook al wordt deze term niet in het buitenland gebruikt, het is het benoemen meer dan waard. Lange Frans en Baas B hebben er ooit een nummer over gemaakt.

9. Olympisch vuur
Je zou denken dat het door de oude Grieken was uitgevonden, maar zoek het dichterbij. Het eerste Olympische vuur brandde in 1928 bij de Zomerspelen van Amsterdam. Het was een idee van Jan Wils, de architect van het Olympisch Stadion. Het vuur brandde in de koepel bovenop de voor het stadion staande Marathontoren.

10. Vierwielaandrijving
Vierwielaandrijving werd voor het eerst in 1903 (meer dan 30 jaar voor de Jeep) toegepast op de Spyker 60HP-racer. Behalve aandrijving op vier wielen beschikte de auto ook over remmen op alle vier wielen en had het de eerste zescilindermotor ter wereld. Een auto van groot historisch belang. Topsnelheid: 110 km/u.

Compact Disc (CD)
Ze zijn nog niet helemaal van de troon gestoten door andere muziekspelers: de CD's. Eind jaren '70 ontwikkeld door Philips.
Het cassettebandje
Wat ouder, maar tegenwoordig weer populair als retro design. Ontwikkeld, wederom door Philips, in 1962. Uitgebracht als compact cassette in 1964.

DVD
En ook de DVD is van Nederlandse makelij. In 1995 ontwikkeld en uitgebracht door Philips en Sony.

Microscoop
Brillenslijper Sacharias Jansen en zijn vader Hans zouden met een dubbele lens rond 1595 de eerste microscoop hebben ontwikkeld. Antoni van Leeuwenhoek zou deze sterk hebben verbeterd.

Verrekijker
En ook de eerste verrekijker is Nederlands. Kort na de microscoop, in 1608, uitgevonden door Hans Lippershey uit Middelburg.

Blu-ray
Ontworpen door ingenieurs van Philips, Sony en Pioneer in 1995, inmiddels gestandaardiseerd en langzaam de DVD aan het vervangen.

Bluetooth
Nederlander Jaap Haartsen was in dienst van het Zweedse bedrijf Ericsson in Emmen toen hij de techniek achter bluetooth ontwikkelde.

Ambilight
Philips lijkt wat oververtegenwoordigd in deze lijst. Ook Ambilight is door onderzoekers van het Nederlandse bedrijf (in 2002) ontwikkeld en wordt inmiddels steeds meer geïmplementeerd.


Back to Top