Het vreemde aan toeval is dat het niet blijkt te bestaan.



Het schijnt zelfs onmogelijk te zijn om bijvoorbeeld door middel van een computer een willekeurig aantal getallen te kiezen, zonder dat deze op enig moment ineen soort orde vervallen. Het blijkt dat zaken zichclusteren.
De wetenschap van de berekening van het toeval staat uiteraard hoog genoteerd bij kansspelen. De verwoedde spelers ontwikkelen ieder voor zich een structuur om het geluk af te dwingen, vaak in de vorm van een rituele handeling (zoals bijvoorbeeld het blazen op de stenen).
Galileo was er in zijn tijd al door gefascineerd en heeft er een verhandeling over geschreven in zijn Wetten van de Kansberekening. Hij realiseerde zich dat het vallen van de stenen onderworpen was aan dezelfde kracht als het pendulum, waardoor het resultaat, in zijn ogen, voorspelbaar moest zijn. 

Later in de 17e eeuw heeft de Fransman, Blaise Pascal zich er op geworpen, ten behoeve van een zwaar gokkende tijdgenoot, wiens geluk zich daarna sterk verbeterde. 

De Fransman Pierre Simon Laplace heeft dit systeem een eeuw later verder verfijnd en uitgewerkt in zijn theorie van mogelijkheden. Het idee was simpel. Als een gebeurtenis zeker staat te gebeuren krijgt het de waarde 1 toegekend, en als het zeker niet gaat gebeuren 0. Alle andere mogelijkheden kunnen als delen tussen de 1 en 0 worden beschouwd. Dit gegeven haalde het toeval binnen de kansberekeningen.

Bijvoorbeeld; het gooien van een dobbelsteen zou de kans van 1 op 6 voor elke zijde moeten geven. Proeven wijzen echter uit dat de uitkomsten zich clusteren rond bepaalde cijfers. Let wel, deze vorm van kansberekening is enkel toepasbaar op grote aantallen.
Dat de uitkomsten niet gelijkelijk verdeeld zijn blijkt wel uit de volgende voorbeelden. Deze ongerelateerde zaken uit het leven blijken zich te voegen naar de curve die bekend is uit de waarschijnlijkheidstheorie van de "Poisson distribution", welhaast alsof het voorbestemd is;

Bij het Duitse leger werden tussen 1875 en 1894 een verlies van 196 manschappen te paard geconstateerd in 14 verschillende  legereenheden. Nu is dit op zich niet zo verwonderlijk, maar wel dat het precies in de “curve van mogelijkheden” viel.
De moorden in Engeland en Wales in deze eeuw blijken eenzelfde respect voor deze wet te hebben. Het blijkt namelijk dat in de 1920 per miljoen mensen 3.84 slachtoffers werden vermoord; in 1930 was dit aantal 3.27, in 1940 3.92, in 1950 3.3 en in 1960 3.5.

Wat te denken van het aantal (geregistreerde) hondenbeten in New York; in 1955 75.3, 1956 73.6, in 1957 73.2, 1958 72.6.
Nu kun je je afvragen hoe de paarden destijds in Duitsland wisten wanneer ze moesten stoppen met het uitdelen van dodelijke trappen. Of hoe wisten de verschillende moordenaars in Engeland dat het quotum gehaald was, en wie stuurde de honden in New York op pad om het juiste aantal bijten per dag uit te delen?

Het blijkt dus dat, zodra men voldoende toevallige gebeurtenissen bij elkaar verzamelt, deze zich ordenen in een patroon. 

Deze paradox van mogelijkheden is een mysterie wat John von Neumann, de uitvinder van de “spel theorie”, en een van de grootste rekenwonders ter wereld, eens omschreef als “niets minder dan zwarte magie”.
 
Nog een wonderlijk voorbeeld; De zangavonden voor het kerkkoor in het plaatsje Beatrice in Nebraska beginnen normaal om 07.20 uur. Maar op 1 maart 1950 waren alle 15 deelnemers te laat. Er waren 10 verschillende redenen voor het feit dat werkelijk elke deelnemer te laat kwam die avond. Om 07.25 uur werd de kerk volledig verwoest door een explosie. Als we er van uitgaan dat elk van de deelnemers één van vier bijeenkomsten te laat kwam, dan nog is de kansberekening 1 op een miljoen dat alle deelnemers te laat komen. Dat dit precies gebeurt op de avond dat de boiler explodeert grenst op het ongelooflijke.
Dit soort gebeurtenissen vragen om een nadere uitleg. Gedurende de geschiedenis hebben diverse filosofen zich hier reeds over uitgelaten. Zo stelde de Griekse geleerde Hippocrates dat “sympathische elementen” de neiging hebben om elkaar op te zoeken. 
Paul Kammerer werkte “de wet van de serie” nader uit, en stelde dat toevalligheden in series opduiken. 
Carl Gustav Jung sprak in dit verband over synchroniciteit; betekenisvol toeval. 
Rupert Sheldrake had het over morfische velden en het geheugen van de natuur.

Ook vermeldenswaard zijn de resultaten van het Global Consciousness Project die, middels wereldwijd geïnstalleerde “Random Event Generators”, doen vermoeden dat de mensheid collectief met elkaar in verbinding staat.
Er schijnt dus een ordenend principe te bestaan dat orde schept in de chaos. Een intelligente blauwdruk dat niet gerelateerde zaken aan elkaar verbindt. En wat betekent dat voor de mens? Leeft hij nu in een mechanisch en verklaarbaaruniversum of bevindt hij zich in een levend en intelligent veld. Volgens de wetten van kansberekening is een mechanische verklaring echter vrijwel onmogelijk.

De evolutietheorie



De evolutietheorie: wie kent ‘m niet? Alweer ruim anderhalve eeuw in omloop en wereldberoemd. Toch bestaan er nog wel enkele misvattingen omtrent de wereldberoemde theorie. Tijd om er drie uit de doeken te doen.

In 1859 deed Charles Darwin de biologische wetenschappen op zijn grondvesten daveren met de publicatie van The Origin of Species. De evolutietheorie, die daarin werd uitgelegd, is ondertussen een aanvaard feit in wetenschappelijk kringen en is sinds 1859 uitgegroeid tot een belangrijke tak van de biologie. Desondanks bestaan er bij het brede publiek nog vele misverstanden rond evolutie.

evolutie1. Het is maar een theorie
Deze eerste misvatting heeft te maken met het gebruik van verschillende definities voor een theorie. In het dagelijkse leven volgen we (onbewust) de definitie uit de Van Dale: een theorie is kennis die niet met praktische oefening verbonden is. Met andere woorden, een theorie is nog niet bewezen in de praktijk. Maar in wetenschappelijke kringen staat theorie voor iets heel anders.

Een voorbeeld helpt om te begrijpen hoe wetenschappers tot een theorie komen. Men start meestal met een observatie van een bepaald fenomeen, bijvoorbeeld het gras is groen. Vervolgens wordt een hypothese geformuleerd die de observatie probeert te verklaren. In dit geval zou men kunnen stellen dat gras groen is door een chlorofyl-molecuul. Om deze hypothese te testen worden allerlei experimenten uitgevoerd waarbij het chlorofyl wordt verwijderd. En het blijkt dat chlorofyl inderdaad verantwoordelijk is voor de groene kleur van het gras. De bevestiging van deze hypothese leidt tot de theorie dat gras groen is door de aanwezigheid van chlorofyl. Deze theorie kan heel makkelijk onderuit gehaald worden. Wanneer iemand gras ontdekt dat groen is, maar geen chlorofyl bevat, dan moet de theorie herbekeken en mogelijk aangepast worden. Maar tot op heden heeft nog niemand deze ontdekking gedaan en houdt de gras-is-groen-door-chlorofyl-theorie stand. Men kan het zelfs als een feit gaan beschouwen. Daarnaast kan een goede theorie ook gebruikt worden om nieuwe hypothesen formuleren, die (indien de theorie correct is) ook bevestigd zullen worden.
Dit laatste is het geval voor de evolutie, op basis van de evolutietheorie kan men diverse hypothesen formuleren over domesticatie van dieren, verdeling van fossielen, de verspreiding van organismen, en meer recent, genetica. Alle hypothesen die voortbouwen op de grote lijnen van de evolutietheorie werden steeds bevestigd. Dus de fundamenten van de evolutietheorie staan zeer stevig verankerd. Bijvoorbeeld, volgens evolutie moeten we in het fossiele bestand steeds simpelere organismen tegenkomen naarmate we verder teruggaan in de tijd. En dit blijkt ook het geval. Deze hypothese is nochtans zeer makkelijk onderuit te halen, er moet slechts één fossiel op de verkeerde plaats voorkomen. Zoals J.B.S. Haldane het mooi stelde: je kan de evolutie onderuit halen door een fossiel konijn terug te vinden in het Precambrium (een periode waarin er nog geen meercelligen bestonden). Tot op heden is dit nog niet gebeurd en houdt de evolutietheorie stand. Dit geldt ook voor andere domeinen van de biologie, zoals vergelijkende morfologie, biogeografie en genetica.


Een karikatuur van Charles Darwin, verschenen in 1871. Afbeelding: University College London.

2. De evolutietheorie kan het ontstaan van het leven niet verklaren
Grappig genoeg klopt deze stelling: de evolutietheorie kan inderdaad niet verklaren hoe het leven hier op aarde ontstaan is. Maar evolutiebiologen proberen ook niet om dit mysterie op te lossen. Evolutie is het proces dat plaatsvindt wanneer het leven eenmaal aanwezig is. Dus het ontstaan van het leven heeft geen impact op de validiteit van de evolutietheorie. Er zijn uiteraard diverse hypothesen geformuleerd over het ontstaan van het leven, maar een allesomvattende theorie is voorlopig nog niet aan de orde.

3. De mens stamt af van de apen
Het idee dat mensen van apen afstammen heeft voor veel verwarring gezorgd en leidde tot uitspraken, zoals “als wij van de apen afstammen, waarom zijn er dan nog apen?” Dit probleem is zeer simpel uit te leggen. Wij stammen niet af van de huidige apen, maar delen een gemeenschappelijke voorouder met hen, ongeveer 6 miljoen jaar geleden. De huidige apen zijn dus niet onze voorouders, maar eerder onze neven en nichten.

Met dank aan http://www.scientias.nl

Terug naar boven